IN HET VORIGE DEEL:Â
“Defensie zou Defensie niet zijn als het na een vernietigende evaluatie niet gewoon zou doorgaan alsof er niets aan de hand is. En dat is precies wat gebeurde na 2016.
Dat jaar liet Defensie zélf onderzoeken of het PTSS-keuringsprotocol en de bijbehorende schattingsmethodiek wel deugen. Niet op aandringen van veteranen. Niet na een gerechtelijke uitspraak. Maar uit eigen beweging. De uitkomst? Het protocol werkt niet zoals het zou moeten. De schattingsmethodiek benut de schaal niet. De uitkomsten zijn structureel laag. Professionals herkennen de beperkingen niet in de percentages.”
ZE HIEVEN HET GLAS, DEDEN EEN PLAS EN ALLES BLEEF ZOALS HET ALTIJD WAS
In 2019 heb ik in de Tweede Kamercommissie bepleit dat het PTSS-protocol van Defensie niet langer zou moeten worden toegepast. Niet omdat iedere vorm van scoring onjuist is. Natuurlijk moet een militair invaliditeitspensioen op een bepaalde manier worden beoordeeld. Natuurlijk moet een verzekeringsarts beperkingen kunnen vastleggen. En natuurlijk ontkom je bij een pensioenregeling niet aan percentages.
Maar daar ging mijn kritiek niet over.
Mijn kritiek was tweeledig. De scoringssystematiek rammelde en leidde tot te lage uitkomsten. Maar minstens zo belangrijk was dat het protocol iedere menselijke maat miste. Het persoonlijke verhaal van de veteraan werd opgeknipt in rubrieken, subrubrieken en klassen, terwijl onvoldoende werd gezien wat daarachter schuilging: schaamte, verlies van vertrouwen, ontwrichte gezinnen, vastgelopen levens en de voortdurende noodzaak om tegenover de eigen organisatie te bewijzen hoe beschadigd je bent.
De afgelopen jaren schreef ik daarover op Veteranenbeleid.nl meerdere artikelen, waaronder Het keuringsprotocol dat niet klopt, Men wist dat het protocol niet klopte, Vernederd door Defensie en Bedgeheimen, Defensie en Pensioen.
De rode draad in die stukken was steeds dezelfde. Het protocol deed veteranen structureel tekort. Dat zat niet alleen in de lage percentages, maar ook in het ontbreken van de menselijke maat. Onder het oude systeem werden veteranen met psychisch letsel vaak fors beperkt geacht. Na invoering van het PTSS-protocol vielen de invaliditeitspercentages ineens veel lager uit. Niet omdat hun klachten waren verdwenen. Niet omdat zij beter sliepen, beter functioneerden of minder afhankelijk waren van hun omgeving. Maar omdat de nieuwe systematiek hun beperkingen anders waardeerde. Schraler. Technischer. Lager.
Tegelijkertijd werd het verhaal achter die beperkingen onvoldoende gezien. Een veteraan met PTSS is niet alleen een optelsom van beperkingen in slapen, huishouden, mobiliteit of sociaal functioneren. Achter die beperkingen zitten verlies, schaamte, voortdurende spanning, ontwrichte relaties, afhankelijkheid van partners en het gevoel door de eigen organisatie niet werkelijk te worden begrepen. Juist dat verdween te vaak in de techniek van het protocol.
Dat is geen klein verschil. Het gaat om erkenning, inkomen en rechtspositie. Een percentage is bij Defensie nooit alleen een percentage. Het bepaalt mede welke plaats het letsel van de veteraan krijgt binnen het systeem dat hem eerst heeft uitgezonden en daarna moet beoordelen wat die uitzending met hem heeft gedaan.
Juist daarom was de kritiek op het protocol zo fundamenteel. Een scoringslijst kan er ordelijk uitzien en toch verkeerd uitpakken. Een methode kan consequent worden toegepast en toch structureel te laag meten. Dat was het probleem. Het protocol wekte de indruk van objectiviteit, maar gaf geen overtuigend antwoord op de vraag of de uitkomst ook werkelijk recht deed aan de beperkingen van de veteraan.
Dat wist Defensie. In 2011, 2012 en 2016 is de werking van het protocol geëvalueerd. De huidige regeling verwijst daar zelf ook naar. Er waren verbeterpunten, er was discussie over de toepasbaarheid en uiteindelijk werd afgesproken dat het protocol moest worden herschreven. Toch is Defensie al die jaren gewoon op dezelfde voet doorgegaan.
Daar wringt het.
Nu is er, in de ogen van Defensie, een herziening. Maar voor veteranen is de vraag vooral of het ook herstel is.
Op papier verandert er het nodige. Het protocol heet ruimer en ziet niet meer alleen op PTSS, maar op psychische aandoeningen waaronder PTSS. Er wordt meer geschreven over comorbiditeit, causaliteit en het voordeel van de twijfel. Ook lijkt het meest schrijnende punt uit mijn eerdere kritiek — de manier waarop uiterst intieme informatie onderdeel werd van de beoordeling — minder nadrukkelijk terug te keren.
Dat is winst. Maar het is onvoldoende.
Want de belangrijkste bezwaren tegen het oude protocol worden niet werkelijk weggenomen. Het probleem was niet alleen dat bepaalde passages onhandig waren opgeschreven. Het probleem was dat de uitkomsten te laag waren. Dat bepaalde onderdelen in de praktijk nauwelijks tot een score konden leiden. Dat de werkelijkheid van psychisch letsel werd teruggebracht tot een schema waarin veel van de daadwerkelijke ontwrichting onvoldoende gewicht kreeg. En dat veteranen, als zij het daar niet mee eens waren, opnieuw moesten uitleggen waarom hun leven ernstiger beschadigd was dan het percentage deed vermoeden.
Juist daarom schuurt deze herziening. Niet omdat iedere wijziging ontbreekt, maar omdat het belangrijkste ongemoeid blijft. Defensie wist al jaren dat het protocol rammelde en dat de scores te laag uitvielen. Toch klinkt in de herziening nauwelijks iets door van erkenning voor de veteranen die al die jaren langs die meetlat zijn gelegd. Het systeem wordt opnieuw ingericht, de taal wordt aangepast, de buitenkant wordt opgepoetst. Maar de vraag wie door het oude protocol tekort is gedaan, blijft liggen.
En zolang die vraag blijft liggen, is dit in de ogen van Defensie misschien een herziening, maar voor veteranen nog geen herstel.
Dat is ook voor de toekomst riskant. Een te lage score werkt door. Niet alleen in het militair invaliditeitspensioen, maar ook in bezwaarprocedures, schadeafwikkelingen en de manier waarop Defensie naar een veteraan kijkt. Wie eenmaal te laag in het systeem staat, begint overal met achterstand. Dan moet hij opnieuw uitleggen, opnieuw onderbouwen en opnieuw procederen.
Dat is geen personeelszorg. Dat is systeemzorg.
En misschien zegt juist dat het meest. Een organisatie die personeelszorg werkelijk serieus neemt, poetst na jarenlange kritiek niet vooral de buitenkant op. Die begint met de vraag wie door het systeem tekort is gedaan — en hoe dat wordt hersteld.
Maar bij Defensie hief men het glas, deed men een plas en bleef uiteindelijk alles zoals het was.
Schrijf je in voor de nieuwsbrief
Thank you for subscribing to the newsletter.
Oops. Something went wrong. Please try again later.



